Voor de boeren uit de dorpen bij Goes, die aan het eind van de Middeleeuwen hun producten op de dinsdagmarkt van de stad wilden verhandelen, waren het 's winters vaak moeilijke tijden. Het waterschap De Brede Watering bewesten Yerseke bestond toen al, maar kon niet verhinderen dat de onbestrate wegen vaak onbegaanbaar waren door de slechte afwatering. Vervoer per schuit was toen vaak de enige mogelijkheid de markt te kunnen bereiken. De oudste vermelding van een watering tussen Kloetinge en Goes dateert van 20 juni 1445 toen hertog Filips van Bourgondië de vrijheid gaf aan die van Kloetingen dat zij de watering tusschen Kloetingen en der Goes mogen diepen en verwijden1.

Ruim een eeuw later voldeed deze verbetering niet meer, want in 1564 werd het aan Goes vergund twee schuitvaarten te maken, de ene naar Kloetinge en de andere naar 's-Heer Abtskerke. De kosten voor die naar Kloetinge waren beperkt want in het oktrooi lezen we dat hiervoor alleen sekere oude dilven ofte slooten geopend hoefden te worden van buyten de Ganspoorte der voorseyde stede tot binnen de prochie van Cloetinghe2. Veertig jaar later werd deze schuitvaart doorgetrokken naar Kapelle. Dit bracht meer kosten met zich mee want hiervoor moesten houten of stenen heulen (overbrugde doorgangen) in de drukkere wegen worden aangelegd, zo breed en hoog dat een schuit er gemakkelijk onderdoor kon. Voor “landberoof”, het wegnemen van uitstekende stukken land, kregen de eigenaars in 1604 een eenmalige vergoeding en ze hoefden in de jaren daarna minder waterschapsbelasting te betalen. In de Overloper van het Middelambacht van Kloetinge uit 16073 valt te lezen om welke percelen het hier precies ging: alwaer alleenlick geteykent staet “vermindert” (aantal roeden) zonder datter by gevoucht zy redenen van vermeten ofte anders, dat de zelve verminderinge is gecomen int maecken ende verbreeden van Schuytvaert van der Goes naer Cloetinge en de Capelle.

Het traject van de schuitvaart tussen Goes en Kloetinge is reeds eerder in grote lijnen beschreven door dhr. Beenhakker in De Klusdurper4. Hieronder zal dit wat gedetailleerder worden gedaan. Het eerste stuk langs de tegenwoordige Voorstad volgde de loop van de nog niet geheel verlande kreek de Versvliet tot aan de hoek met de Dusseldorpstraat. Het vervolg vinden we terug als “oudtijds de schuitvaart” op twee kaarten van J.F. Metzger uit ca 18001,5. Ten noorden van de Patijnweg liep de vaart met een aantal bochten naar een punt in het verlengde van het Westeinde. Daar maakte hij een bocht van 90 graden naar het oosten om uit te komen op het nog steeds bestaande slootje aan de zuidkant van het Vogelzangsepad. Op de kruising met de Zomerweg bevond zich een grote heule, welke onder de naam de Hoge Heul (de hooch huele) bekend was. Ten oosten van de Zomerweg liep de vaart verder met eerst een scherpe bocht naar het zuiden en daarna oostwaarts bovenlangs de Schalklaan door de Klaas Puthoek (Claes Pithouck). Ook dit laatste stuk is nog steeds in het landschap aanwezig. De 15e en 16e eeuwse watering eindigde via nog een tweetal bochten bij het schuitvlot aan de zuidkant van het Veerhuis (Noordeinde nr. 2). Hier konden de platbodems aanleggen.

Dhr. Beenhakker opperde zo'n 20 jaar geleden dat in 1604 bij doortrekken van de schuitvaart naar Kapelle een brug in het Noordeinde werd aangelegd voor aansluiting op de slotgracht van het kasteel. In de archiefstukken2 lezen we echter: Inden eersten sal geleyt werden een huele te Cloetinge bij de brugge in den wech daer men naer Mannee rijdt. Met deze weg wordt het huidige Noordeinde bedoeld. Uit 15756 dateert -in een ander verband- de aantekening "Om Jasper Adriaenssens huijs teijnden het Noorteinde op te brugge op 't Ambacht ende vroone van de heeren van Cats". Verder bevond zich in 16077 op de hoek van de noordkant van het Hoge Pad en het Noordeinde “het brugge weytken”. Dit perceeltje van ruim een halve hectare was eigendom van de weduwe van Claas Balten. Aangezien zij in 1604 voor het maken van de schuitvaart een schadeloosstelling kreeg2, mag verondersteld worden dat vlak hierbij de heule in het Noordeinde werd gemaakt. Dit stemt tevens overeen met de vermelding van twee verminderingen in de Overloper van 1607 aan de noordkant van het Langedijkje. Dit betrof een perceel land van de dijkgraaf Soetwater in de hoek van het Noordeinde en het Langedijkje en het dijkje zelf dat aan de “Armen van Kloetinge” behoorde. Voor de loop van de schuitvaart houdt dit in dat deze dan gesitueerd kan worden in de nog steeds herkenbare sloot die loopt vanaf de oostkant van de Klaas Puthoek achterlangs het Overhof (Noordeinde nr. 4) met vervolgens een bocht naar het oosten bij het Hoge Pad. Via de nieuw aangelegde heule in het Noordeinde werd de noordkant van het Langedijkje bereikt waar ook nog een bruggetje kwam2: Item noch een overslach tegen de dijckgravens weye genaempt Eydyck.